Spanningen rond Groenland versnellen Europese koers naar energie-onafhankelijkheid
In dit artikel:
Spanningen rond Groenland en de harde uitspraken van de Amerikaanse president hebben Europese beleidsmakers aangespoord hun energieonafhankelijkheid sneller te vergroten. Tijdens een top in Hamburg spraken negen landen met belangen in de Noordzee — waaronder Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Nederland — af grootschalig te investeren in offshore windenergie. Concreet willen zij tussen 2031 en 2040 jaarlijks circa 15 gigawatt nieuwe capaciteit bijbouwen en op termijn uitkomen op ongeveer 300 gigawatt op zee tegen 2050. Ter vergelijking: de EU heeft nu ongeveer 37 gigawatt offshore-wind.
Een centraal onderdeel is de gezamenlijke ontwikkeling van rond de 100 gigawatt aan windparken gekoppeld aan een nieuw, multinationaal elektriciteitsnet in de Noordzee. Dit netwerk van onderzeese kabels moet landen flexibel met elkaar verbinden, zodat stroom geleverd kan worden waar vraag en prijs het hoogst zijn. Daarmee hopen regeringen zowel de leveringszekerheid te vergroten als de Europese markt te optimaliseren.
EU-energiecommissaris Dan Jørgensen benadrukte dat Europa niet wil ruilen van de ene buitenlandse afhankelijkheid voor een andere; na de versnelling weg van Russisch gas sinds 2022 stegen de Amerikaanse LNG-importen sterk, en de EU heeft een importverbod op Russisch gas gepland vanaf 2027. Hernieuwbare energie wordt daarom gezien als zowel klimaatmaatregel als geopolitieke buffer.
De plannen moeten ook de ingebouwde problemen van de offshore-sector — stijgende kosten en vertragingen bij netaansluitingen — aanpakken. Overheden overwegen meer prijszekerheid voor ontwikkelaars, bijvoorbeeld via minimumopbrengstgaranties. In de kern is de boodschap van de ministers: Europa wil minder afhankelijk zijn van externe leveranciers en meer zeggenschap over zijn eigen energievoorziening.