Producentenprijzen VS stijgen dubbel zo hard als verwacht: renteverlaging verder weg
In dit artikel:
In januari stegen de Amerikaanse producentenprijzen (PPI) sterker dan verwacht: +0,5% ten opzichte van de voorgaande maand, de grootste maandelijkse toename sinds september. Het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics meldde dat vooral de kern-PPI (zonder voedsel en energie) opvallend opliep met +0,8% m/m — ruim boven de voorspelde 0,3% en de sterkste stijging sinds juli. Op jaarbasis kwamen totale PPI en kern-PPI uit op respectievelijk 2,9% en 3,6%, eveneens hoger dan verwacht.
De aanjagers waren vooral diensten: kosten voor portefeuillebeheer, vliegtickets en medische zorg stegen fors. Omdat een deel van deze diensten in de PCE-prijsindex (de voorkeurmaatstaf van de Federal Reserve) terugkomt, vergroot dit de kans dat ook toekomstige PCE-cijfers hoger uitvallen. Dat maakt het moeilijker voor de Fed om snel verdere renteverlagingen door te voeren; na drie verlagingen eind vorig jaar is de druk om verder te versoepelen nu beperkt, temeer daar de arbeidsmarkt tekenen van stabilisatie vertoont. De volgende PCE-cijfers met inkomens- en bestedingsdata verschijnen op 13 maart.
Ook beleids- en kostenfactoren spelen een rol: hogere importheffingen en margedruk hebben producenten ertoe gebracht prijzen op te voeren of elders te besparen. Goederenprijzen exclusief voedsel en energie noteerden een van de stevigste stijgingen sinds begin 2022.
Marktreactie was direct: aandelenfutures daalden en rentes op Amerikaanse staatsobligaties stegen, een weerspiegeling van hogere verwachtingen dat de beleidsrente langer hoog blijft. Op de cryptomarkt bleef bitcoin rond de 66.000 dollar en gevoelig voor zulke renteverwachtingen; stevigere producentenprijzen vergroten doorgaans de druk op risicovolle activa.
Kort gezegd wijzen de PPI-cijfers op aanhoudende prijsdruk in de VS, met name in diensten, en compliceren ze het pad naar de Fed’s inflatiedoel van 2%.