Irak en Emiraten zoeken koortsachtig naar alternatief voor Hormuz
In dit artikel:
Irak en de Verenigde Arabische Emiraten leggen met snelheid nieuwe uitvoerroutes voor olie aan om het weggevallen transport via de gesloten Straat van Hormuz te compenseren. Irak verkeert in de meest urgente positie: olie bedroeg in 2025 volgens de Wereldbank 53% van het reële bbp, en de blokkade laat zien hoe beperkt Bagdad’s uitwijkmogelijkheden zijn. In april ging via Hormuz nog maar 10 miljoen vaten olie uit Irak, tegenover 93 miljoen vaten vóór de oorlog.
Bagdad probeert snel meer olie via de Kurdistan–Turkey-pijpleiding naar de Turkse haven Ceyhan te pompen; doel is de uitvoer daar te verhogen van 220.000 naar 770.000 vaten per dag. Dat biedt enige verlichting maar haalt niet het niveau van de verloren Hormuz-volumes.
De VAE versnellen de bouw van een West–East-pijpleiding naar Fujairah die in 2027 operationeel moet zijn en de exportcapaciteit van ADNOC kan verdubbelen. Abu Dhabi heeft daarbij een betere uitgangspositie omdat al exportfaciliteiten bij Fujairah bestaan.
Tegelijkertijd zijn alternatieven kwetsbaar: in april werd onder meer de Saudische East–West-pijpleiding aangevallen en Fujairah kreeg droneaanvallen te verduren. Volgens het IEA bieden de Saudische en VAE-routes samen zo’n 3,5–5,5 miljoen vaten per dag (Saudi-Arabië noemt 7 miljoen), nog ver beneden de circa 20 miljoen vaten die vóór de oorlog dagelijks via Hormuz werden vervoerd. De regio zoekt dus weliswaar broodnodige alternatieven, maar een volledig veilige en even ruime vervanging ontbreekt nog.